Luchtlenzen in betonvloer; wie gaat dat herstellen: de arbiter in Cobouw van oktober 2022

17-10-2022 | Actueel

Juridisch - Bij een eis tot herstel in kort geding probeert een onderaannemer onder een afgesproken garantieregeling uit te komen.

Deze zaak draait om problemen met een nieuwe vloer ten behoeve van de uitbreiding en verbouwing van een bedrijfshal. De hoofdaannemer heeft een overeenkomst gesloten met een onderaannemer om de betonvloer van bijna 6.000 m2 te leveren en aan te brengen voor een bedrag van 184.000 euro. Daarbij is een uitgebreide garantie afgesproken.

Craquelé en delaminatie
De onderaannemer koopt betonmortel in bij een betonleverancier, stort de vloer, werkt hem monolitisch af en impregneert hem. Daarna levert hij de vloer op. Helaas constateert de eigenaar van de bedrijfshal al snel daarna de nodige problemen met de toplaag, zoals scheurvorming (craquelé) en zelfs loslating (delaminatie). Hij klopt met deze klachten aan bij de hoofdaannemer, die ze schriftelijk meldt bij de onderaannemer.

Drie onderzoeken
De hoofdaannemer zet een onderzoeksbureau aan het werk. De onderaannemer op zijn beurt laat een deskundige een visuele inspectie van de vloer doen. En de aansprakelijkheidsverzekeraar van de onderaannemer laat ook nog eigen onderzoek verrichten. Al dat onderzoekswerk leidt echter niet tot een oplossing.
Uiteindelijk stelt de hoofdaannemer de onderaannemer in gebreke en sommeert hem, met een beroep op de garantieregeling, de vloer te herstellen. Als de onderaannemer dat blijft weigeren, begint de hoofdaannemer bij de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (RvA) een kort geding.

Wel of niet bevoegd
Voordat de arbiter zich over de zaak kan buigen, moet hij eerst een oordeel vellen over een procedureel bezwaar van de onderaannemer. Die voert namelijk aan dat de RvA niet expliciet bevoegd zou zijn dit geschil in kort geding te beslechten. Op basis van het arbitragereglement oordeelt de arbiter echter dat hij die bevoegdheid wel degelijk heeft.

Wel of geen spoed
Ook het verweer van de onderaannemer dat er geen sprake zou zijn van een spoedeisend belang wijst de arbiter van de hand. De opdrachtgever van de hoofdaannemer wil terecht haast maken: die kan zijn hal nu immers niet inrichten. Bovendien heeft de onderaannemer zich in de garantie verplicht om geconstateerde gebreken op eerste aanzegging te herstellen. Hij stribbelt verder nog tegen dat de hoofdaannemer niet tijdig geklaagd zou hebben, maar ook dit verweer houdt geen stand.
Nadat al deze bezwaren uit de weg zijn, kan de arbiter met de inhoud aan de slag. Om zo’n vérreikende eis in kort geding te kunnen toewijzen, moet hij ook zonder nader onderzoek en zonder een uitgebreide procedure nogal zeker van zijn zaak kunnen zijn. In dit geval twijfelt de arbiter er niet aan dat het oordeel in een eventuele bodemprocedure niet anders zal zijn.

Luchtlenzen
Dát er gebreken zijn, staat niet ter discussie. Het onderzoek in opdracht van de hoofdaannemer concludeert dat de toplaag van de betonvloer loslaat als gevolg van gevormde luchtlenzen. Deze luchtlenzen zijn ontstaan door het schuren/vlinderen van de vloer. De craquelévorming is ontstaan door plastische krimp als gevolg van een te laat gestarte nabehandeling, dan wel nabehandeling met een ongeschikt product. Ook het onderzoek in opdracht van de onderaannemer onderschrijft in grote lijnen deze conclusies.
De onderaannemer betoogt dat eerst nader onderzocht moet worden of de geleverde betonmortel wel deugde, maar dit doet hier niet ter zake. Dat is immers een risico voor de onderaannemer zelf. Bovendien had hij zo’n onderzoek allang kunnen laten verrichten en kan hij dat alsnog doen tijdens het herstel. Gezien de garantieverklaring moet de onderaannemer beginnen met het herstel, en wel binnen twee maanden, waarna de klus binnen zes maanden voltooid moet zijn, op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per dag.
Mede op basis van zijn eigen bezichtiging denkt de arbiter dat het hersteladvies uit het onderzoek in opdracht van de hoofdaannemer een goed resultaat zal opleveren. Maar het is aan de onderaannemer om de wijze van herstel te bepalen, als het maar goed en deugdelijk gebeurt. Gezien de mate waarin de onderaannemer ongelijk heeft gekregen, moet hij ook de proceskosten betalen.

(Meer over dit vonnis is te vinden op www.raadvanarbitrage.info, onder nummer 37.424)

Ton Hesp

Overig nieuws