Inleiding voeging en tussenkomst aan de hand van voorbeelden

Soms loopt er een procedure over een onderwerp dat een derde aangaat. Die derde kan dan, om zijn eigen belangen te verdedigen, aan het scheidsgerecht in een lopende procedure verzoeken zich te mogen voegen aan de zijde van één van de partijen of tussen te mogen komen tussen beide partijen. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt hij in beide gevallen partij in de lopende procedure. Als hij tussenkomt, stelt hij zelf ook een vordering in.

Als de belangen van één partij stroken met zijn eigen belang, kan hij zich aan diens zijde voegen om haar bij te staan. Als hij er belang bij heeft op te treden tegen de stellingen van beide partijen, kan hij tussenkomen.  

Door het hier besproken incidentele verzoek tot voeging (of tussenkomst) start een aparte (incidentele) procedure, waarin wordt beslist alvorens de procedure in de hoofdzaak doorloopt.

Voorbeeld 1:
De opdrachtgever in een aanbesteding bericht de laagste inschrijver op zijn werk dat het werk hem niet zal worden gegund, omdat hij niet voldoet aan het daarvoor geldende selectiecriterium dat hij een pretpark moet hebben gebouwd en opgeleverd. De parkeerplaats met speeltuin en bijgebouwen waarop de laagste inschrijver zich beroept, is volgens de opdrachtgever geen pretpark. De opdrachtgever wil het werk gunnen aan de één na laagste inschrijver, die Six Flags heeft gebouwd.

De laagste inschrijver spant een procedure aan. Als hij die wint, gaat het werk aan de neus van de één na laagste inschrijver voorbij. Die heeft er dus belang bij dat niet de laagste inschrijver, maar de opdrachtgever de procedure wint.

De één na laagste inschrijver verzoekt het scheidsgerecht zich te mogen voegen aan de zijde van de opdrachtgever, om deze in de procedure te steunen met meer argumenten dan hij naar voren heeft gebracht. Hij weet bijvoorbeeld dat de laagste inschrijver de bijgebouwen bij de parkeerplaats nog niet heeft opgeleverd, wat ook onderdeel was van het selectiecriterium en wat de opdrachtgever nog niet heeft gesteld.

Stel nu, dat de opdrachtgever uitdrukkelijk erkent dat de bijgebouwen bij de parkeerplaats zijn opgeleverd. Deze onjuiste stelling van de opdrachtgever is in strijd met het belang van de één na laagste inschrijver. Als hij aannemelijk kan maken dat de bijgebouwen niet zijn opgeleverd, wordt de eis van de laagste inschrijver afgewezen en krijgt de één na laagste inschrijver het werk. Hij verzoekt daarom geen voeging, maar tussenkomst. Nadat hij daarvoor toestemming heeft gekregen is hij partij in de procedure. Hij vordert dat de opdrachtgever wordt veroordeeld het werk aan hem te gunnen.

Belang bij voeging of tussenkomst

Het scheidsgerecht beoordeelt of de derde belang heeft bij de voeging of tussenkomst.

Bij arrest van 2 maart 1956, NJ 1956, 199 heeft de Hoge Raad strenge eisen gesteld en beslist dat, wil een verzoek tot tussenkomst voor toewijzing vatbaar zijn, moet blijken van een belang van de verzoeker om te voorkomen benadeling of verlies van een hem toekomend recht, dat bedreigd wordt door het hangende geding en voor welks behoud zijn optreden in dit geding nodig is.

Voor voeging moet volgens de Hoge Raad blijken van een belang van de verzoeker om zich in het geding te stellen aan de zijde van een der partijen tot ondersteuning van diens standpunt om aldus te voorkomen benadeling van de rechten of de rechtspositie van de verzoeker zelf welke een beslissing ten nadele van de te ondersteunen partij dreigt ten gevolge te zullen hebben (HR 3 mei 1957, NJ 1959, 62).

Uit onder meer HR 15 november 1996, NJ 1997, 482 en HR 8 december 2000, NJ 2001, 55 blijkt dat de eisen inmiddels minder streng zijn.

Ook in arbitrage worden minder strenge eisen gesteld. Er wordt wel getracht zoveel mogelijk te voorkomen dat de procedure door de voeging/tussenkomst vertraagd wordt. Waar onredelijke vertraging dreigt, zal het verzoek worden afgewezen. De belangenafweging die in dat kader plaatsvindt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Verloop van het incident

Het verzoek tot voeging (of tussenkomst) start met de indiening van een incidentele memorie in de hoofdzaak, die “tijdig” moet worden ingediend. De verzoeker moet tegelijk met de indiening bij de RvA een afschrift van het verzoek aan de partijen in de hoofdzaak sturen (art. 15 lid 2 Arbitragereglement RvA).

In deze memorie doet de derde een verzoek zich te mogen voegen of te mogen tussenkomen, waarbij hij omschrijft waarom hij een belang heeft bij zijn inmenging in de procedure.

Door de indiening van de incidentele memorie start een aparte (incidentele) procedure, waarin wordt beslist voordat de procedure in de hoofdzaak doorloopt. De partijen in de lopende procedure worden naar aanleiding van het verzoek gehoord.

Het scheidsgerecht bepaalt de verdere gang van het incident, dat eindigt met een incidenteel vonnis.

In kort geding en in spoedgeschillen dient het verzoek tot voeging/tussenkomst uiterlijk de dag vóór de mondelinge behandeling om 15.00 uur bij de RvA binnen te zijn (art. 15 lid 3 Arbitragereglement RvA).

Als de voeging/tussenkomst niet wordt toegestaan, loopt de hoofdzaak verder alsof er niets gebeurd is. Als het verzoek tot voeging/tussenkomst wordt ingewilligd, mag de derde zich voegen/tussenkomen.

Verloop van de hoofdzaak en de voeging/tussenkomst

Het scheidsgerecht bepaalt de verdere gang van de hoofdzaak.

Op de mondelinge behandeling zijn alle partijen aanwezig en worden alle vorderingen/weren behandeld. In de praktijk concentreert de behandeling van het verzoek tot voeging/tussenkomst zich nog meer dan in andere zaken op de mondelinge behandeling.

De beslissing op de vorderingen van de gevoegde/tussenkomende partij komt in hetzelfde vonnis als de beslissing in de hoofdzaak.

Verschil tussen samenvoeging van gedingen en voeging/tussenkomst

Bij samenvoeging van gedingen wordt in twee (of meer) procedures waarvan de onderwerp samenhangen beslist door hetzelfde scheidsgerecht (als het kan gelijktijdig), maar het blijven afzonderlijke procedures. De partijen in de ene procedure krijgen daarom bijvoorbeeld niet automatisch de stukken uit de andere procedure, zoals in het geval van voeging/tussenkomst.

Voor het overige zie het menu “Samenvoeging van gedingen”.

Voeging vs tussenkomst vs vrijwaring

Voeging is bedoeld om te zorgen dat een ander gelijk krijgt, omdat je daar zelf ook belang bij hebt. Tussenkomst is bedoeld om de rechten waarover twee partijen in een procedure twisten, voor jezelf op te eisen. Vrijwaring is bedoeld om de gevolgen van jouw eigen aansprakelijkheid tegenover jouw wederpartij “door te schuiven” naar een ander die op zijn beurt tegenover jou aansprakelijk is (maar vaak niet tegenover jouw eerstgenoemde wederpartij).

Verschil tussen wettelijke regeling en Arbitragereglement RvA

Op grond van artikel 1045 Rv is vereist dat alle partijen in de lopende procedure een overeenkomst tot arbitrage hebben met degene die zich wil voegen/tussen wil komen. In een geschil voor de RvA is het op grond van artikel 15 lid 4 Arbitragereglement RvA voldoende als er een overeenkomst tot arbitrage bestaat tussen hem en één van de partijen in het lopende geschil. Meer informatie vindt u in de twee genoemde artikelen.