Inleiding

Ook voor een hoger beroep geldt de informatie in het menu “Procederen voor de RvA”. Daarnaast treft u de voor uw hoger beroep toepasselijke informatie in het menu “Welke procedure?”, in het op uw procedure in eerste aanleg betrekking hebbende submenu. Als hierna niet anders is vermeld, geldt de in de genoemde menu’s opgenomen informatie.

Wanneer is hoger beroep mogelijk?


Ieder der partijen heeft in beginsel recht om van een in eerste aanleg gewezen vonnis van de RvA in hoger beroep te komen (art. 22 lid 1 Arbitragereglement RvA).

Deze hoofdregel lijdt uitzondering in een aantal gevallen, waarvan hierna de belangrijkste worden genoemd. Om te bepalen of hoger beroep in uw geval mogelijk is, raadpleegt u ten minste artikel 332 Rv + artikel 1050 Rv en artikel 20 + 22-24 Arbitragereglement RvA.

Hoger beroep is uitgesloten indien het arbitraal vonnis in eerste aanleg, indien gewezen door de gewone rechter, niet vatbaar zou zijn geweest voor hoger beroep (art. 22 lid 2 Arbitragereglement RvA).

De appelgrens (grens voor het indienen van een hoger beroep) bij de gewone rechter is € 1.750,00 als totale waarde van alle vorderingen in conventie en eventuele reconventie. Daarbij wordt de verschenen rente tot de dag van aanhangigmaking van het geschil in eerste aanleg meegerekend (art. 332 lid 1 en 3 Rv).

Als door de eiser aan een vordering (of een aantal vorderingen) geen waarde is verbonden, staat in beginsel hoger beroep open, tenzij er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de waarde van de vordering (of vorderingen tezamen) niet meer is dan € 1.750,00. In specifieke wetsartikelen kan anders zijn bepaald (art. 332 lid 1 Rv).

Als de conventie en reconventie zijn gesplitst in twee procedures waarin twee vonnissen zijn gewezen, wordt voor ieder vonnis apart beoordeeld of daartegen hoger beroep mogelijk is (art. 332 lid 3 Rv).

Als partijen de toepasselijkheid van het arbitragereglement of de statuten van de Raad niet zijn overeengekomen, is hoger beroep van een vonnis van de RvA slechts mogelijk indien de partijen zijn overeengekomen dat zij hoger beroep bij de RvA kunnen instellen (art. 1050 lid 1 Rv). Dat kan ook nog na het vonnis in eerste aanleg gebeuren.

Arbitraal hoger beroep van een tussenvonnis of een gedeeltelijk eindvonnis kan alleen samen met het hoger beroep van het laatste eindvonnis worden ingesteld, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of arbiters in het gedeeltelijk eindvonnis hoger beroep hebben opengesteld (art. 1050 lid 2 Rv; vgl. art. 22 lid 5 Arbitragereglement RvA).

Arbitraal hoger beroep tegen een vonnis in samengevoegde procedures is volgens artikel 20 Arbitragereglement RvA alleen mogelijk indien en voor zover:
a. alle op de oorspronkelijke gedingen toepasselijke reglementen in de mogelijkheid van arbitraal hoger beroep voorzien, of
b. de bij het samengevoegde geding betrokken partijen bij overeenkomst in de mogelijkheid van arbitraal hoger beroep hebben voorzien of daarin alsnog voorzien.

Dit betekent, dat het kan gebeuren dat een partij door de samenvoeging van de gedingen haar recht op hoger beroep verliest, omdat een andere partij niet in hoger beroep kan komen. De wetgever heeft daarvoor in artikel 1046 lid 6 Rv gekozen. De regeling in de Statuten van de RvA sluit daarop aan.

Hoger beroep tegen een bindend advies is uitgesloten (art. 22 lid 8 Arbitragereglement RvA).

Een hoger beroepprocedure beginnen (“in hoger beroep gaan”)

Een hoger beroepprocedure begint met de indiening van een Memorie van Grieven (MvG) door de eiser in hoger beroep (appellant) en is aanhangig vanaf de datum van binnenkomst van dat stuk bij het secretariaat van de RvA (art. 22 lid 3 Arbitragereglement RvA). Een verweerder in hoger beroep heet “geïntimeerde”.

Een MvG met eventuele producties moet worden ingediend in zesvoud. Als er meer dan één geïntimeerde is, telt u daarbij twee exemplaren op voor iedere extra geïntimeerde.

De appellant moet voorts in viervoud een kopie van het procesdossier in eerste aanleg, met inventarislijst, overleggen. In de inleiding van het vonnis in eerste aanleg staat vermeld welke stukken zijn overgelegd.

Daarnaast moet de appellant een kopie van het procesdossier in eerste aanleg, met inventarislijst, doen toekomen aan de geïntimeerden, zodat deze kunnen controleren of zij ook beschikken over alles waarover het scheidsgerecht beschikt.

Processtukken mogen worden gefaxt, zonder de producties. Het originele exemplaar moet dan dezelfde dag worden verzonden per post met producties.

Memorie van Grieven (MvG)

Een MvG is een geschrift, waarin een partij die in hoger beroep gaat tegen een in eerste aanleg gewezen vonnis uiteenzet tegen welke overwegingen en beslissingen in het in eerste aanleg gewezen vonnis hij zich verzet (de grieven), waarom (de toelichting) en hoe hij de beslissing wil zien gewijzigd (de conclusie).

Omtrent de (on-)mogelijkheid om een MvG zonder toelichting in te dienen zie het hierna te behandelen “Appel op nader aan te voeren gronden”.

De inhoud van de MvG bepaalt de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep. In het volgende hoofdstuk wordt dit uitgelegd.

Wat wordt behandeld in hoger beroep (grievenstelsel en devolutieve werking)

In hoger beroep wordt het "grievenstelsel" gehanteerd. Dit komt er kort gezegd op neer dat de beslissing in eerste aanleg slechts in hoger beroep wordt getoetst voor zover daarom is gevraagd. Om die toetsing kan worden gevraagd door het instellen van “grieven” tegen de beslissing in eerste aanleg.

Hoger beroep heeft verder “devolutieve werking” dit wil zeggen dat de zaak in zijn geheel aan de arbiters in hoger beroep wordt voorgelegd: alle in eerste aanleg door partijen aangevoerde argumenten moeten in beginsel opnieuw worden beoordeeld binnen de grenzen die door de grieven zijn aangegeven.

Twee voorbeelden kunnen dit verduidelijken:

Voorbeeld 1
Een opdrachtgever stelt een vordering in tot vervanging van het keukenblok, omdat het geleverde keukenblok afwijkt van de specificaties in een destijds door hem ontvangen folder. De aannemer stelt dat het geleverde keukenblok is aanvaard bij de oplevering, dat hij na de oplevering alleen nog aansprakelijk is voor verborgen gebreken en dat dit geen verborgen gebrek is. Hij stelt voorts dat de door de opdrachtgever overgelegde folder helemaal niet door hem is verstrekt.

De arbiters in de eerste aanleg wijzen de vordering af, omdat in het proces-verbaal van de oplevering geen opmerking voorkomt over het keukenblok, het keukenblok dus kennelijk door de opdrachtgever geaccepteerd is en de afwijking geen verborgen gebrek is.

De opdrachtgever stelt in hoger beroep de volgende grief in tegen dit oordeel: “Ten onrechte hebben arbiters in eerste aanleg geoordeeld dat het keukenblok door mij geaccepteerd is”. Hij legt daarbij een brief over waarin hij heeft geprotesteerd tegen de weigering van de aannemer om zijn opmerking over het keukenblok op het proces-verbaal van oplevering te noteren. Zijn grief slaagt.

Het appelscheidsgerecht wijst de vordering tot vervanging dan nog niet automatisch toe. Het zal eerst nog moeten beslissen of de folder wel van de aannemer afkomstig was, omdat de aannemer dit betwistte.

Wordt niet aannemelijk dat de aannemer de folder heeft verstrekt, dan staat de opdrachtgever alsnog met lege handen, ondanks het slagen van zijn grief.

Dit wordt beschouwd als de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel, omdat een in eerste aanleg irrelevant(e) stelling/verweer alsnog relevant blijkt.

Voorbeeld 2
Stel nu dat de vordering in eerste aanleg is afgewezen, omdat niet is aangetoond dat de folder van de aannemer afkomstig is en omdat wordt geoordeeld dat het keukenblok bij de oplevering is aanvaard.

De opdrachtgever komt in beroep met een grief luidende "Ten onrechte hebben arbiters in eerste aanleg overwogen dat opdrachtgever het keukenblok bij de oplevering heeft aanvaard".  In de toelichting op de grief verwijst hij naar zijn protestbrief.

Deze grief slaagt, maar er verandert niets aan de uitkomst van de procedure. Het oordeel in eerste aanleg dat niet is aangetoond dat de folder afkomstig was van de aannemer, is immers een zelfstandige grond voor afwijzing van de vordering. Tegen dat oordeel is geen grief ingesteld, zodat de afwijzing in eerste aanleg moet worden bekrachtigd, ook al is het keukenblok bij de oplevering niet aanvaard.

Dit wordt beschouwd als de negatieve zijde van de devolutieve werking van het appel/het grievenstelsel (omdat niet alle in eerste aanleg aangevoerde stellingen/verweren automatisch in het hoger beroep worden betrokken).

Het voorgaande laat overigens onverlet dat het appelscheidsgerecht wetsvoorschriften van openbare orde ambtshalve moet toepassen, ongeacht of een daarop betrekking hebbende grief is ingesteld.

Reactie van de RvA op de MvG

Zowel de appellant als de geïntimeerde ontvangt bericht van ontvangst van de MvG door de RvA. Aan de geïntimeerde worden door de RvA twee exemplaren van de ingediende stukken gezonden.

De appellant dient er daarnaast zelf voor te zorgen dat de geïntimeerde beschikt over een kopie van het volledige procesdossier in eerste aanleg, met inventarislijst.

Daarbij wordt de appellant verzocht een waarborgsom te storten en ontvangen appellant en geïntimeerde ieder een lijst met arbiters die lid zijn van het College van Arbiters van de RvA, met het verzoek uiterlijk bij indiening van de eerstvolgende memorie een gemeenschappelijke keuze daaruit te maken. De voorzitter van de RvA zal bij de benoeming zoveel mogelijk rekening houden met die keuze (zie hierna).

Appeltermijnen (uiterste datum van indiening MvG)

Artikel 22 Arbitragereglement RvA luidt voor zover van belang voor de appeltermijnen:

3. Beroep tegen een arbitraal vonnis dient binnen drie maanden na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat.

De appeltermijn loopt derhalve in beginsel af drie maanden na de dag van dagtekening van het eindvonnis (art. 22 lid 3 Arbitragereglement RvA). Indien bijvoorbeeld een eindvonnis is gewezen op 3 januari, is de indiening van de MvG op 3 april nog op tijd en op 4 april te laat. De Raad is verplicht deze termijn streng te handhaven en doet dat ook.

4. Hoger beroep tegen een vonnis in een spoedgeschil als bedoeld in artikel 14 lid 1 sub a of c, [kort gedingen en aanbestedingsgeschillen] dient binnen één maand na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat. De voorzitter beslist omtrent de spoedbehandeling van het hoger beroep.

Voor UAR-geschillen en kort gedingen geldt derhalve een kortere termijn van één maand. 

5. Hoger beroep van een tussenvonnis en/of van een gedeeltelijk eindvonnis kan slechts tezamen met het hoger beroep van het laatste eindvonnis worden ingesteld; zulks lijdt evenwel uitzondering, indien het scheidsgerecht - op verzoek of ambtshalve - in het betreffende vonnis uitdrukkelijk anders heeft bepaald of indien partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen.
6. In het geval enige partij inzake een vonnis gewezen in een geding als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17 [voeging en tussenkomst, vrijwaring en samenvoeging van gedingen] tijdig appelleert, wordt de appèltermijn voor de overige partijen voor zover deze niet incidenteel kunnen appelleren verlengd met een maand, in welke verlengde termijn uitsluitend kan worden geappelleerd op gronden die samenhangen met het eventueel slagen van het ingestelde tijdig appèl.
7. In het geval door enige partij inzake een vonnis gewezen in een geding als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17 [voeging en tussenkomst, vrijwaring en samenvoeging van gedingen] incidenteel is geappelleerd, gaat voor de nog niet in appèl betrokken partijen een extra termijn lopen van een maand na de indiening van het incidenteel appèl. De appellant die gebruik maakt van de extra termijn is in zijn hoger beroep beperkt tot de gronden die samenhangen met het slagen van de grieven van de incidenteel appellant.

In geval van voeging en tussenkomst, vrijwaring en samenvoeging van gedingen kan derhalve een aanvullende termijn gelden, bovenop de termijn die op grond van de leden 3 en 4 geldt.

In artikel 339 Rv, geldende voor de procedures voor de burgerlijke rechter, is eveneens een verlenging van de beroepstermijn opgenomen. De regeling bij de RvA is in een aantal opzichten ruimer: artikel 22 Arbitragereglement RvA kent onder meer een ruimere verlengingstermijn en geldt voor alle partijen. Voorts stelt het Arbitragereglement RvA niet de uit art. 339 Rv volgende voorwaarde dat de vordering in de hoofdzaak in eerste aanleg is afgewezen, maar geldt wel een beperking van de in de verlengde termijn nog aan te voeren gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen overigens vóór het aflopen van de appeltermijn samen overeen komen die termijn te verlengen. Daar is in beginsel geen grens aan. Zolang de grieven worden ontvangen binnen de tussen partijen tijdig overeengekomen (verlengde) appeltermijn, zullen deze in beginsel worden geaccepteerd. Wordt de appeltermijn verlengd tot meer dan zes maanden na het vonnis, dan dient daarvan bericht te worden gegeven aan de Raad, zodat voorkomen wordt dat het dossier van de eerste aanleg wordt vernietigd.

Naast het voorgaande gelden de bepalingen uit de Algemene Termijnenwet. De belangrijkste daarvan zijn:

Art. 1 lid 1
“Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.”

Art. 3 lid 1 + 2
“1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: De Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en de vijfde mei.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.”

Appel op nader aan te voeren gronden (pro forma appel)

Soms dient een partij een memorie van grieven in zonder grieven. Hij stelt in die memorie dan dat hij zijn grieven nog niet kan formuleren, bijvoorbeeld omdat hij nog op een deskundigenrapport zit te wachten. Hij vraagt daarbij om uitstel voor het indienen van een nadere memorie waarin hij de gronden van zijn appel uiteen zal zetten.

In artikel 22 lid 3 Arbitragereglement RvA is vermeld dat hoger beroep moet worden ingesteld door indiening van een memorie van grieven. Een memorie van grieven waarin geen grieven zijn gesteld, voldoet niet aan die omschrijving.

Bovendien is in de regeling van het hoger beroep vermeld dat indiening van een tweede memorie niet is toegestaan (art. 24 lid 1 Arbitragereglement RvA). Als partijen daarvan willen afwijken, zal toestemming van de voorzitter van de Raad moeten worden gevraagd.

In geschil 70.102 (te vinden in het menu “Jurisprudentie”) is daarom beslist dat geen appel kan worden ingesteld op nader aan te voeren gronden.

In geschil 70.448, (eveneens te vinden in het menu “Jurisprudentie”), is dit echter wel toegestaan, in een situatie dat door de wederpartij toestemming was verleend.

Uit een en ander lijkt te volgen dat appel (binnen de termijn) op nader aan te voeren gronden (na de termijn) tot de mogelijkheden behoort in de situatie dat de wederpartij daartoe toestemming heeft gegeven (of geeft). Dit is echter geen constante jurisprudentie. Bovendien is de RvA eenmaal met een uitspraak van de burgerlijke rechter geconfronteerd, inhoudende dat ook via arbitragereglementen overeengekomen appeltermijnen van openbare orde zijn. Daarom is toestemming van de wederpartij niet genoeg en moet artikel 22 lid 3 Arbitragereglement RvA ambtshalve worden toegepast. Toestemming om de grieven nader te formuleren kan immers worden aangemerkt als een feitelijke verlenging van de van openbare orde geachte appeltermijn.

Partijen kunnen overigens vóór het aflopen van de appeltermijn samen overeen komen die termijn te verlengen. Daar is in beginsel geen grens aan. Zolang de grieven worden ontvangen binnen de tussen partijen tijdig overeengekomen (verlengde) appeltermijn, zullen deze in beginsel worden geaccepteerd. Wordt de appeltermijn verlengd tot meer dan zes maanden na het vonnis, dan dient daarvan bericht te worden gegeven aan de Raad, zodat voorkomen wordt dat het dossier van de eerste aanleg wordt vernietigd.

Ter vermijding van teleurstellingen doet een appellant er dus goed aan de regeling in het arbitragereglement te volgen en bij het tijdige appel zijn grieven te formuleren.

Mocht een partij toch na het verstrijken van de appeltermijn gronden aanvoeren, dan zal daarover alsnog in arbitrage moeten worden beslist. Eventueel aan die partij verleende uitstellen zijn dan per definitie voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat arbiters het appel op de nader aangevoerde gronden nog ontvankelijk zullen achten. Aan de verleende uitstellen kunnen geen rechten worden ontleend.

Wie behandelt het hoger beroep?

Het hoger beroep wordt uiteraard niet behandeld door de arbiters die het vonnis in eerste aanleg hebben gewezen, maar door andere arbiters uit het College van Arbiters van de RvA. Het aantal geschillen in hoger beroep is niet zodanig hoog dat het rendabel is een apart hoger beroepcollege in te stellen.

De voorzitter van het appelscheidsgerecht is altijd een lid-jurist, veelal afkomstig uit de rechterlijke macht.

Het appelscheidsgerecht bestaat uit ten minste drie arbiters.

Ook in hoger beroep wordt een secretaris met adviserende stem aan het scheidsgerecht toegevoegd. Dit zal altijd een ander zijn dan in eerste aanleg.

De waarborgsom

De waarborgsom en de proceskosten in hoger beroep worden bepaald volgens het Waarborgsom/Moderatiesschema. Uitgangspunt is daarbij het financiële belang van het geschil in hoger beroep, niet in eerste aanleg. Meer informatie over waarborgsom en kosten vindt u in het menu "Waarborgsom en kosten".

Als de vordering in hoofdsom in eerste aanleg € 300.000,00 bedroeg, in het vonnis in eerste aanleg € 150.000,00 is toegewezen, en tegen een onderdeel van € 100.000,00 daarvan hoger beroep wordt ingesteld door de verweerder in eerste aanleg, is het financieel belang van het hoger beroep € 100.000,00.

Is een vordering in reconventie in eerste aanleg ad € 75.000,00 die geen overlap had met de vordering in conventie afgewezen en stelt de verweerder in eerste aanleg (tevens eiser in reconventie) tegen die afwijzing ook hoger beroep in, dan is het financieel belang van het hoger beroep dus € 175.000,00. 

Memorie van Antwoord in hoger beroep (MvA)

Pas als de waarborgsom is gestort, wordt de geïntimeerde uitgenodigd om binnen een aantal weken een MvA in hoger beroep in te dienen.

De termijnen voor indiening van processtukken en eventueel benodigd uitstel daarvoor treft u aan in het Rolreglement.

Een eis in reconventie is in hoger beroep niet toegestaan (art. 24 lid 1 Arbitragereglement RvA).

In hoger beroep bestaat geen mogelijkheid tot het voeren van repliek en dupliek: na de MvA volgt de Mondelinge Behandeling.

Principaal appel en incidenteel appel

Als de geïntimeerde ook het vonnis in eerste aanleg wil aanvechten, kan hij dat doen bij principaal appel (in een aparte procedure), of bij incidenteel appel (in de reeds door de eerste appellant aanhangig gemaakte appelprocedure).

Incidenteel appel is geen incident, maar een hoger beroep, ingesteld door de geïntimeerde (de verweerder in appel) in een reeds lopend hoger beroep (art. 339 lid 3 Rv).

Een incidenteel appel vertoont enige gelijkenis met een reconventionele vordering: de geïntimeerde hoeft geen aparte hoger beroepsprocedure aanhangig te maken om het vonnis in eerste aanleg aan te vechten op de punten waar hij het niet mee eens is.

Een tweede principaal appel levert wél twee afzonderlijke procedures op, waarbij in beide procedures de geïntimeerde een memorie van antwoord in hoger beroep mag indienen. Iedere geïntimeerde mag dan in zijn memorie van antwoord incidenteel appelleren en kan daarbij de grieven die hij in zijn principaal appel heeft ingesteld nog uitbreiden.

Als de geïntimeerde incidenteel appel instelt in plaats van een apart principaal appel, heeft de appellant in het principaal appel die gelegenheid tot aanvulling niet: hij mag zich slechts in een memorie van antwoord in het incidenteel appel verweren.

Incidenteel appel heeft nóg een voordeel voor de geïntimeerde in het principaal appel: incidenteel appel mag tot uiterlijk bij de MvA in hoger beroep worden ingesteld, ongeacht of de in artikel 22 lid 3 of lid 4 genoemde appeltermijn is verstreken (art. 24 lid 2 Arbitragereglement RvA).

Is dus bijvoorbeeld de eerste appellant in hoger beroep gekomen op de laatste dag van de appeltermijn, dan kan de wederpartij ook na verloop van de appeltermijn van (bijvoorbeeld) 3 maanden nog incidenteel appelleren. Is eenmaal gediend van antwoord in de appelprocedure, dan is de kans verkeken en heeft het vonnis in eerste aanleg kracht van gewijsde (er staat geen gewoon rechtsmiddel meer tegen open).

Een partij die incidenteel appel heeft ingesteld kan daarna niet ook nog principaal appel instellen, want hij wordt geacht te berusten in het vonnis in eerste aanleg voor zover hij geen appel heeft ingesteld.

Een partij die heeft berust in het vonnis in eerste aanleg (zijn wederpartij expliciet heeft laten weten dat hij zich daarbij neer zou leggen), kan niet meer principaal, maar wel incidenteel appelleren. Als het door zijn wederpartij ingestelde principaal appel slaagt, ontstaat immers een situatie waarin hij niet heeft berust. Hij moet zich daartegen kunnen verzetten.

Uitreiking vonnis en depot bij de rechtbank

Het duurt meestal enkele weken tot enkele maanden na de laatste proceshandeling voordat partijen het vonnis uitgereikt krijgen, mede afhankelijk van de vraag of sprake is van een kort geding, spoedbodemprocedure of gewone bodemprocedure.

Alle onder het arbitragereglement/statuten van de Raad gewezen vonnissen (ook schikkingsvonnissen) en aktes tot herstel van een vonnis worden gedeponeerd bij de rechtbank te Amsterdam. Meestal wordt het aan de rechtbank gezonden op dezelfde dag als waarop het aan partijen wordt gezonden. Andere stukken worden niet gedeponeerd.

Na het vonnis

Als een veroordeelde het vonnis in hoger beroep niet vrijwillig nakomt, kan nakoming worden afgedwongen nadat de voorzieningenrechter zijn verlof tot

tenuitvoerlegging (exequatur) heeft verleend. In de praktijk is een exequatur een “hamerstuk” dat vrijwel nooit wordt geweigerd en dat circa twee weken na de indiening van het verzoek wordt afgegeven. Een deurwaarder kan vervolgens het vonnis waarop het exequatur is verleend executeren (ten uitvoer leggen).

Als er een kennelijke fout zit in het vonnis, kunt u een verzoek doen tot herstel daarvan. Als niet op alle grieven is beslist, kunt u verzoeken om een aanvullend vonnis.

Onder de uitzonderlijke omstandigheden genoemd in artikel 1065 Rv kan een arbitraal vonnis geheel of gedeeltelijk worden vernietigd door de burgerlijke rechter.

Hoger beroep in spoedbodemprocedures en in kort geding

Let er op dat het hoger beroep tegen een vonnis in een spoedbodemprocedure of kort geding niet automatisch ook met spoed wordt behandeld. U moet (opnieuw) verzoeken om spoedbehandeling en de voorzitter van de RvA zal dat op dat verzoek, dus naar de stand van zaken van dat moment, beoordelen of er voldoende aanleiding bestaat voor spoedbehandeling.